Ik zie je staan op het perron en langzaamaan word je steeds een beetje kleiner. Nog één keer lach je lief, terwijl ik in de verte rijd, weg van jou. Misschien zit er ergens wel schoonheid in afscheid nemen – soms is het zo veel beter om niet bij elkaar te zijn.
Hoe verder ik van je weg ben, hoe meer ik begin te geloven dat je een illusie bent. Een web van woorden, gedachten, beloftes en keiharde leugens. Ik wou dat ik in jouw hoofd kon kijken om te zien wat de waarheid is, maar wat levert het me op? Soms denk ik dat jij mijn enige hoop bent – mijn enige hoop, maar de gedachte die daar onomstotelijk op volgt is: hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe heb ik zo verstrikt kunnen raken in jouw web van woorden?
Het is tijd om mijn waarheid onder ogen te zien, want de jouwe weet ik toch niet. In mijn hoofd moet ik ook wegrijden van het station dat jouw naam draagt. Het is er verraderlijk en ik kom er maar niet weg.